Een aardappelregen in Oostenrijk

<<< Vervolg op Artikel “Goulmy en de hulp aan oorlogsvluchtelingen”

Op Eerste pinksterdag 12 mei 1940  begroet de Duitse verbindingsofficier Frustl burgemeester Van Lanschot. De hoffelijke Frustl vertegenwoordigt de Duitse bezetter die zojuist ’s-Hertogenbosch  heeft ingenomen. De officier complimenteert de burgemeester met het optreden van Bossche burgers en geestelijken na afloop van de Eerste Wereldoorlog.

Frustl rijdt op de motor de stad binnen en wordt vergezeld door vier kompanen, niet in gevechtstenue, want ze verwachten die dag geen gevechten. Ze stoppen voor het stadhuis waar enkele politieagenten de wacht houden.

Weinig steden worden zo ‘vreedzaam’ ingenomen dan ’s-Hertogenbosch. Geen gevechten maar complimenten voor de stad en haar bewoners.  Frustl verwijst naar een gebeurtenis die ruim twintig jaar eerder, in 1918, plaatsvond.

’s-Hertogenbosch ontfermt zich in dat jaar weer over een groot aantal Oostenrijkse oorlogsweeskinderen. Onder aanvoering van pastoor mgr. Prinsen, Eugène Goulmy en bisschop Arnold Diepen biedt het RK Huisvestingscomité bescherming, onderdak en eten aan de hongerende weeskinderen.

Vijf Duitsers die de stad 's-Hertogenbosch innemen
Vijf Duitsers die de stad ‘s-Hertogenbosch innemen

‘Grootste ellende’
Op 17 juli 1918 arriveert de eerste trein met Oostenrijkse kinderen op het station in ’s-Hertogenbosch. Het mededogen van de gewone Bosschenaar is groot. Het is half drie in de ochtend en toch zijn er veel mensen op de been om de kinderen te verwelkomen. De aanblik van uitgeputte kinderen leidt tot spontane acties zoals ‘van die arme volksvrouw die voor de kleinen wat eten kocht.’ De chroniqueur van het RK Huisvestingscomité in Wenen schrijft: ‘In de millioenenstad heerscht de grootste ellende, de hongersnood ging door de straten en stegen en bezocht bijna alle gezinnen van den midden- en arbeidersstand. ’

‘Neutrale’ hulpverlening
Maar niet iedereen is begripvol. De Oostenrijkers mogen dan in de ellende zitten, ze zijn wel van ‘foute’ kant. En… in eigen land wordt ook honger geleden. In de zomer van 1917 staat Amsterdam in het teken van het ‘Aardappeloproer’. Op 28 juni 1917, er was geen aardappel meer te krijgen, vernemen de mensen in de volkswijken, dat er in de Prinsengracht een schip met aardappelen lag, bestemd voor het leger. De vrouwen uit de Jordaan stromen toe en plunderen de schuit om hun gezinnen te kunnen voeden. De opstand houdt negen dagen aan.

Het bestuur van het RK Huisvestingscomité heeft dus iets te doen en bewerkt de publieke opinie. Oostenrijk is ‘agressors’ en er is honger in het eigen land. De Nieuwe Rotterdamsche Courant spreekt in februari 1920 haar voorkeur uit voor ‘neutrale’ hulpverlening, juist ook in Wenen waar zich ook veel joodse en protestantse kinderen bevinden.

Aardappeloproer
Aardappeloproer

 ‘Voor het stervende Oostenrijk’
Het comité start een PR-actie en verspreidt massaal een brochure. Die gaat erin als koek. Er worden er meer dan veertigduizend verkocht. Schrijver Galesloot richt zich tot katholieke vrouwen. Zo schrijft hij: ‘Is er iets meer ontzettend, meer folterend denkbaar, dan dat de moeder haar kinderen ziet wegkwijnen dag-in, dag-uit, steeds meer; dat een moeder ziet gaan haar kinderen den donkeren weg naar het graf, dat reeds wacht op den overvollen doodenakker, zonder dat ze bij machte is, nog niet ten koste van haar eigen bloed en leven, dien gang te stuiten. Doet iets voor het stervende Oostenrijk.’

Gewapende begeleiders
Door de kritische houding van niet-katholieken voelt het RK Huisvestingscomité zich uitgedaagd om Nederland te laten zien waartoe het in staat is. Op 13 december 1918 vertrekt vanuit Zevenaar een trein met 53 wagons waarvan er veertig door de Brabantse Boerenbond gevuld zijn met aardappelen. Een trein, met een voor die dagen uitzonderlijke lengte van vijfhonderd meter, moet zich een weg zien te banen langs onwillige grensautoriteiten en grote hoogteverschillen overwinnen. Tijdens de hele reis zitten twee gewapende begeleiders in het remmershuisje om plunderingen van hongerende mensen te voorkomen. Een Oostenrijkse journalist schrijft met grote bewondering over ‘een aardappelregen uit Holland’.

aardappelregen uit Holland
Aardappelregen uit Holland

Krachtproef
In 1923 gaat de laatste groep Weense kinderen ‘met roode wangen, prachtig gevoed, in nieuwe kleding, met blijdschap in de oogen’ terug naar huis. Het RK Huisvestingscomité heeft een krachtproef doorstaan. Welgeteld 28.523 kinderen maken, gemiddeld één jaar, gebruik van de gastvrijheid van Nederlandse gezinnen. En van Belgische gezinnen, want België heeft de weg van de verzoening weer ingeslagen. Het RK Huisvestingscomité maakt gretig gebruik van deze mogelijkheid om Weense kinderen bij Belgische gezinnen onder te brengen. De kosmopoliet Eugène Goulmy is heel tevreden.